Anatomie van een spier

De fysiologie van een triggerpoint

Het deel van een spiervezel dat de feitelijke contractie verzorgt, is een microscopisch kleine eenheid die sarcomeer wordt genoemd.

Een sarcomeer trekt zich samen als zijn twee delen bij elkaar komen en zich als vingers in elkaar vouwen. In je spieren moeten miljoenen sarcomeren zich samentrekken om ook maar de geringste beweging te veroorzaken. Een triggerpoint ontstaat als te sterk gestimuleerde sarcomeren chemisch niet in staat zijn weer te ontspannen. Normaal gesproken werken de sarcomeren als kleine pompjes. Ze trekken zich samen en ontspannen om het bloed, dat in hun metabolische behoeften voorziet, door de capillairen (haarvaten) te laten circuleren.

Als de sarcomeren in een triggerpoint hun contractie vasthouden, stopt in feite de bloedcirculatie in het betreffende gebied. Het gebrek aan zuurstof en de ophoping van afvalstoffen irriteren het triggerpoint. De spiervezels raken hierdoor met elkaar verkleefd. Het triggerpoint reageert op deze noodtoestand met het versturen van pijnsignalen.

Triggerpoints kunnen ontstaan door allerlei situaties waarin spieren op een onprettige manier worden gebruikt. Een aantal voorbeelden, Overbelasting van spieren door:

  • het herhaaldelijk uitvoeren van een zelfde beweging,
  • het langdurig statisch aanspannen (bijv. het zitten met opgetrokken schouders),
  • kortdurende zware inspanning (zwaar tillen, sporten, in de tuin werken),
  • een verkeerde houding,
  • stress,
  • lichamelijke kenmerken (beenlengteverschil, bekkenscheefstand, platvoeten, zwakke spieren, hypermobiele gewrichten),
  • plotselinge schokken, valpartijen en botsingen.